‘Samen leren als eerste stap naar samenwerken'

Om goede zorg en ondersteuning te kunnen bieden aan mensen met complexe zorg en ondersteuningsbehoefte hebben professionals geïntegreerde kennis en vaardigheden nodig op uiteenlopende gebieden. Daarbij past een benadering die de aparte disciplines overstijgt. ‘Het huidige onderwijs komt hieraan nog onvoldoende tegemoet’, zegt Dinette van Timmeren van de Hanzehogeschool in Groningen. ‘Er wordt nog veelal opgeleid in silo’s voor aparte professies zoals verpleegkundige of fysiotherapeut.’ Daarom heeft zij met diverse partners nieuw, interprofessioneel onderwijs ontwikkeld, waarbij studenten leren samenwerken met de cliënt en met elkaar om de cliënt de beste zorg te geven.

Twee bureau's met stoelen erachter. Op het voorste bureau ligt links een stapel boeken en rechts een open boek met hierop een tablet.

In het nieuwe interprofessionele onderwijs zitten mbo-, hbo- en wo-studenten samen in de klas en werken ze casusgericht vanuit hun eigen kennis en vaardigheden. “Op die manier leren ze samen te werken aan één plan, waarbij het belang van de cliënt voorop staat’, zegt Dinette van Timmeren. “Professionals op mbo-, hbo- en wo-niveau moeten ook op de werkvloer samenwerken. Dat leren ze op deze manier al tijdens hun opleiding.”

‘Studenten verpleegkunde worden breed opgeleid. Ik vind dat ze ook in aanraking moeten komen met de zorg voor mensen met een beperking’.

Keuzemodule

Al een paar jaar voelde Van Timmeren dat de studenten van de verschillende zorgopleidingen te weinig vertrouwd werden gemaakt met werken in de zorg en ondersteuning voor mensen met een verstandelijke beperking. “De meeste opleidingen zijn breed georiënteerd. Ik vond dat studenten ook in aanraking moeten komen met de zorg voor mensen met een beperking. Maar voor de twee, drie studenten die per jaar, per opleiding kiezen voor de zorg en ondersteuning voor mensen met een verstandelijke beperking kun je niet het hele curriculum aanpassen.” 

Daarbij kreeg Van Timmeren ook vanuit zorgorganisaties signalen dat studenten vanuit de HBO-zorgopleidingen niet goed worden voorbereid op het werken met mensen met een verstandelijke beperking. Daarom ontwikkelde de Hanzehogeschool samen met het Alfa-College, de Rijksuniversiteit Groningen, en zes zorgorganisaties (Visio, Vanboeijen, Talant, 's Heeren Loo, Philadelphia en De Trans), een keuzemodule van een half jaar waarin studenten van de drie onderwijsniveaus kunnen instromen.

‘Als je het ondersteuningsplan als basis neemt, dan is afstemming tussen de verschillende disciplines vanzelfsprekend. Wat doet de mondhygiënist, de begeleider, de orthopedagoog?’

Tegenstrijdige adviezen

Een anekdote heeft mij aan het denken gezet, zegt Van Timmeren. “Als leider van een innovatiewerkplaats werk ik samen met docenten en studenten van andere opleidingen aan interdisciplinaire vraagstukken uit de praktijk. Bij één casusbespreking bleek dat adviezen over eetmomenten van de diëtiste en mondhygiëniste tegenstrijdig waren. Beide waren zich niet bewust van de vakspecifieke kennis van de ander. Het belang van interprofessioneel samenwerken werd voor mij hierin heel duidelijk.”

“Als je het ondersteuningsplan van cliënten als basis neemt, dan is afstemmen van de acties die nodig zijn van de verschillende disciplines vanzelfsprekend. Wat doet de mondhygiënist, de begeleider, de orthopedagoog?”

Wetenschap

In het nieuwe interprofessionele onderwijs leren studenten samenwerken met de cliënt, diens familie/naasten en alle betrokken disciplines.  Het uitgangspunt is interprofessioneel samenwerken vanuit één visie en één ondersteuningsplan door studenten met verschillende opleidingsachtergronden en –niveaus. Ieder heeft een eigen inbreng en leert vanuit zijn eigen kracht samen te werken. Door te reflecteren op het eigen ontwikkelingsproces en op dat van anderen, stimuleren zij elkaar om het beste uit zichzelf te halen.

De studenten zullen vooral met casussen aan de slag gaan en ook zorgorganisaties bezoeken. Daarnaast is ook wetenschappelijk onderzoek een belangrijke pijler, zegt Van Timmeren. “Ik heb korte lijnen met een paar interessante innovatiewerkplaatsen en academische werkplaatsen. We willen onderzoekers uitnodigen om zelf te vertellen over de uitkomsten van hun onderzoek en wat dit betekent voor de inrichting van de zorg en ondersteuning voor mensen met een verstandelijke beperking.”

Onderwijs op drie niveaus

Onderwijs schrijven voor drie niveaus is niet eenvoudig, zegt Van Timmeren. “Als start hebben we per opleidingsniveau competenties omschreven en die hebben we vervolgens gebruikt als uitgangspunt om leeruitkomsten te formuleren. Het is gelukt om de leeruitkomsten op drie niveaus te beschrijven. De leeruitkomsten zijn algemeen beschreven want ze moeten passen bij de fysiotherapeut, de verpleegkundige, de logopedist en de begeleider.”

Naast de inhoud was ook de financiering niet eenvoudig. Voor het idee van het interprofessionele onderwijs kreeg Van Timmeren de ‘Comenius Senior Fellows 2018’ subsidie. Hiermee is de ontwikkeling van het onderwijs gefinancierd. “Nu zoeken we nog naar manieren om het onderwijs zélf te bekostigen en te organiseren. Het MBO werkt bijvoorbeeld niet met een half jaar keuzeonderwijs.”

Voor de ontwikkeling van dit nieuwe onderwijs is het belangrijk om met iedereen in gesprek te gaan: naasten, zorgorganisaties, studenten en docenten.

Toekomst

De start van de keuzemodule was eerst gepland in september, maar is vanwege de corona-crisis uitgesteld naar februari volgend jaar. “We bieden ook onderwijs in vaardigheden dat we onmogelijk alleen online kunnen geven”.

Van Timmeren is ervan overtuigd dat dit soort interprofessioneel onderwijs, met een sterke gerichtheid op zowel de praktijk als wetenschappelijk onderzoek, de toekomst heeft. “De opzet kan je bij wijze van spreken ook gebruiken voor andere doelgroepen binnen de gehandicaptenzorg of ouderenzorg. Het is wel belangrijk dat men, zoals wij in het hele traject hebben gedaan, met iedereen in gesprek gaat: naasten, zorgorganisaties, studenten en docenten. Ik hoop zeer dat deze vorm van onderwijs een vlucht neemt, omdat ik denk dat het beter aansluit bij wat de patiënt/cliënt nodig heeft.”